Bruikbaarheid onderzoeksresultaten na onrechtmatig huisbezoek
Bruikbaarheid onderzoeksresultaten na onrechtmatig huisbezoek
Na de uitspraak van de rechtbank staat tussen partijen vast dat sprake is geweest van een onrechtmatig huisbezoek. Direct in aansluiting op het huisbezoek (op 2 februari 2007) vindt een gesprek op het kantoor van de sociale dienst plaats, bij welke gelegenheid een verklaring van appellante wordt opgenomen. Op 13 februari 2007 legt appellante opnieuw een verklaring af. Appellanten vinden de verklaringen van 2 en 13 februari 2007 verboden vruchten van het onrechtmatige huisbezoek, die dus niet als bewijs mogen worden gebruikt.
Tijdens het huisbezoek heeft appellant geen inzage verleend in laden van het dressoir waardoor hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting met als gevolg dat zijn recht op bijstand niet is vast te stellen
Tijdens het huisbezoek heeft appellant geen inzage verleend in laden van het dressoir waardoor hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting met als gevolg dat zijn recht op bijstand niet is vast te stellen
Appellant heeft de medewerkers van DWI toestemming gegeven voor het huisbezoek op 25 april 2009. Tijdens dat huisbezoek heeft hij geweigerd de medewerkers van DWI inzage te verlenen in drie laden van een dressoir in de woning. Het College heeft vervolgens de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellant de op hem rustende medewerkingsverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op bijstand.
Redelijke grond voor een onaangekondigd huisbezoek. Geen informed consent en inbreuk op het huisrecht. Het bewijsmateriaal en het resultaat van het nader onderzoek mag in dit geval worden gebruikt
Redelijke grond voor een onaangekondigd huisbezoek. Geen informed consent en inbreuk op het huisrecht. Het bewijsmateriaal en het resultaat van het nader onderzoek mag in dit geval worden gebruikt
Er bestond gelet op de door appellante tegenover een medewerker van de gemeente gedane mededelingen over de activiteiten van appellant in de kelderbox van hun woning, in dit geval een redelijke grond voor het afleggen van het (onaangekondigde) huisbezoek. Het College heeft er in dit verband niet ten onrechte op gewezen dat een aankondiging van een huisbezoek er in dit geval gemakkelijk toe had kunnen leiden dat appellant de op dat moment bestaande feitelijke situatie in de kelderbox had gewijzigd.